Het begin van dansen



In september trouwde ik. Op maandagochtend fietsten we naar het stadhuis, mijn vriend, onze zoon en ik. Het was warm en ik was bang dat er zweetplekken onder mijn oksels zouden ontstaan. Verder was ik even nergens bang voor. ‘s Avonds dansten we in de woonkamer. Dat moest van onze zoon, hij is drie, het is ons avondritueel. Als ik te moe ben en blijf zitten, zegt hij: jij mag dansen. Net zo lang tot ik in beweging kom.

Je bent iemand met angsten, zei een therapeut toen ik vijfentwintig was. Ze zei het anders, minder nadrukkelijk, alsof ze dacht dat ik het wel wist. In die tijd ging ik veel naar feestjes en hoopte ik dat niemand zag hoe mijn handen trilden als ik een sigaret opstak. Ik ging om met mannen die het te druk voor me hadden en dacht dat alleen die mannen bang waren. Het was de tijd waarin ik stopte met dansen.

Mijn moeder heb ik nooit zien dansen. Ik denk dat ze het als meisje wel deed. Soms, als ze enthousiast wordt van bepaalde muziek, maakt ze een armbeweging die op het begin van dansen lijkt. Mijn vader wil best dansen, maar zonder mijn moeder begint hij er niet aan.

De therapeut stelde voor dat ik het weer eens probeerde. Ze zette muziek op en zei: ga maar staan. Ik ging staan en maakte een beweging die op het begin van dansen leek. Ik zei: zo is het wel weer genoeg.

In het begin vond mijn vriend me ingehouden. Later vond hij dat niet meer. Je vraagt wel zestien keer per dag hoe laat het is, zei hij. En hij zei: Ik heb niets met trouwen, maar als jij dat wil vind ik het prima hoor. Het besluit om met mij een gezin te beginnen, dat moment vond hij veel belangrijker. Hij wist nog precies wanneer dat was. Het was kerst en hij zat aan de bar van een vol café. Een eindje verder stond ik op een stoel in een microfoon te schreeuwen. Ik droeg een verhaal voor over een moeder die bang was voor de wereld maar deed alsof het niet zo was. Zodra ik klaar was zou er buiten een muziekkapel gaan spelen. Het kon je niks schelen dat er mensen doorheen praatten, zei hij. Ineens zag ik dat je onverschrokken bent.

Een jaar later werd onze zoon geboren en keek ik toe hoe mijn ouders een tas met cadeaus leeggooiden op het vloerkleed voor onze bank. Dit is het dan, zoon, dacht ik, met deze mensen moet je het doen, mensen die niet dansen en zestien keer per dag vragen hoe laat het is. Ineens schoot me iets te binnen waar ik lang niet aan had gedacht. Ik was vijftien en hing uit het zolderraam met een sigaret die ik uit mijn moeders tas had gestolen, mijn hoofd in een mist van rook. Ik ben mijn ouders niet, dacht ik. Ik hield mijn adem in en de mist trok langzaam op.