&2024

Essay / 14.02.24

Twee en een halve centimeter

Welmoed Jonas

Just as it is true that everything symbolises the body, so it is equally true that the body symbolises everything else – Mary Douglas

Met mijn handpalm draai ik cirkels over de badkamerspiegel. Mijn lichaam wordt langzaam zichtbaar. Ik kijk naar de horizontale lijnen die over mijn borstkas lopen. De kleur ging van bloedrood naar lichtroze en is nu bijna gelijk aan de kleur van mijn huid. Mijn gedachten dwalen naar een regel uit een gedicht van Hannah Chris Lomans. “Een lichaam hebben / en omgeven worden,” schrijft hen. Niemand bestaat in een vacuüm.
    Met mijn vingers wrijf ik over het litteken op de plek waar mijn linkertepel had moeten zitten. Het midden voelt glad, de buitenkant ribbelig. Toen duidelijk werd dat de doorbloeding niet meer op gang zou komen, knipte de chirurg de korst van mijn lichaam af. Een gat in mijn borstkas bleef achter. Met een pincet wrikte ik onder de douche het dode weefsel uit de wond zodat het sneller zou genezen. Bloed spoelde over mijn buik en benen, verdween samen met mijn laatste restje tepel door het afvoerputje.

1.
In het glas van de draaideur zie ik de reflectie van mijn hoodie en laaghangende spijkerbroek. In de lift trek ik mijn binder nog even goed naar beneden. In combinatie met mijn wijde T-shirt is het genoeg om een platte borstkas te suggereren. Het gevoel mezelf te moeten bewijzen zorgt ervoor dat ik er zo mannelijk mogelijk uit probeer te zien. Waar kan de psycholoog zich anders op beroepen dan stereotypebeelden over man-zijn en vrouw-zijn om te bepalen of ik daar genoeg van afwijk? Welke dingen moet ik laten zien of verbergen om duidelijk te maken dat ik geen van beide ben?
    “Ondefinieerbaar”, zo noemt sociaal antropoloog Mary Douglas mensen die buiten de patronen van een samenleving vallen. We zijn een vorm van ‘sociale vervuiling’, schrijft ze in haar boek Purity and Danger, waarin ze onderzoekt hoe de manier waarop een samenleving omgaat met vuil een reflectie is van maatschappelijke (wan)orde. Haar beroemde uitspraak “dirt is a matter out of place” doelt op hoe we het haar op iemands hoofd mooi vinden, maar in het doucheputje smerig. Haren onder de oksels van een man normaal, maar bij een vrouw vies. Dit maakt dat het verwijderen van vuil geen onschuldige handeling is, stelt ze, maar een manier om de omgeving te organiseren. Vanuit dit perspectief is het mezelf niet laten definiëren langs de lijnen van de binaire man- vrouwlogica hetzelfde als zeggen: ik laat me niet wegpoetsen.
    Toch kruis ik mijn benen bewust niet over elkaar wanneer ik plaatsneem tegenover de psycholoog. Tussen ons in staat een computerscherm waarvan ik de achterkant zie. De pixels aan de voorkant geven mijn dossier weer, gevuld met aantekeningen van de gesprekken die we de afgelopen maanden hebben gevoerd. Zij stelde de vragen. Vind je je borsten iets seksueels? Van welke wc maak je het liefst gebruik? Waarom heb je je haar gemillimeterd? Ben je activistisch? Met welk speelgoed speelde je vroeger? Heb je een relatie? Wie zijn je vrienden? Wat vinden je ouders ervan? Hoe was je als kind? Word je liever hij of zij genoemd? Zou je je naam willen veranderen? Welke rol bedeel je jezelf toe in je fantasieën? Hoe stel je je seks zonder borsten voor? Hoe ervaar je jezelf als je in de spiegel kijkt?
    Mijn antwoorden zijn de aanknopingspunten voor een vermeend objectieve analyse over wie ik ben. De maatstaf om te bepalen of ik genderdysforie heb. Een diagnose waarin ik mezelf nooit heb kunnen vinden. Ik ben niet genderdysforisch, ik ben gewoon mezelf. Maar omdat mijn zelf niet past binnen het patroon, ik niet voldoe aan de maatschappelijke verwachting, wordt mij een mentale stoornis toebedeeld.
    Deze dynamiek tussen individu en samenleving noemen medisch antropologen Nancy Scheper-Hughes en Margaret Lock individuele pathologisering: iemand die niet past binnen de norm wordt gecategoriseerd als afwijkend, ziek. Dit legt de verantwoordelijkheid op de schouders van het individu. De samenleving hoeft zichzelf geen spiegel voor te houden. Zolang de psycholoog mij kan bestempelen als genderdysforisch, blijft de samenleving geordend: je bent man, vrouw, of we verwijzen je door naar de DSM. Opgeruimd staat netjes.
De psycholoog vouwt haar handen in elkaar. Haar lichaam helt lichtjes voorover. Ik wil haar ook vragen stellen. Waarom zij haar borsten wél wil houden. Of ze haar borsten seksueel vindt, welke rol ze zichzelf toebedeelt in haar fantasieën, waarom ze haar haren op schouderlengte draagt, of ze blij is met haar naam. Wat ze ervaart als ze in de spiegel kijkt. In plaats daarvan adem ik diep in.
    ‘Nee,’ zegt ze. ‘Ik verwijs je nog niet door naar de plastisch chirurg. Ik vind je identiteit niet stabiel genoeg.’ De brok in mijn keel, de druk op mijn borst. Alles knapt. Voor het eerst verhef ik mijn stem. Met tranen in mijn ogen schreeuw ik dat ik dit niet accepteer. Dat het míjn lichaam is waarover alleen ík iets te zeggen heb. Als ik uitgeraasd ben, valt het stil. Ze glimlacht naar me. ‘Nu heb je bewezen dat je het écht wil,’ zegt ze. Het is de laatste keer dat we elkaar zien, dat we tegenover elkaar zitten.

2.
Huilend word ik wakker uit de narcose. De doktersjassen, die als schimmen door de ruimte zweven, komen me vreemd voor. Pas als mijn wazige blik weer helder is, voel ik opluchting. De operatie is voorbij. Voorzichtig draai ik mijn hoofd en kijk naar de klok aan de muur. Vijf voor half tien. Nog geen twee uur geleden lag ik met ontbloot bovenlichaam in de operatiekamer. Zwarte stippellijnen op mijn huid, mijn benen gewikkeld in een elektrische deken. Nooit heb ik geweten dat operatiekamers zo koud zijn. De anesthesist vroeg me waarover ik wilde dromen als de verdoving me in slaap zou wiegen en de chirurg het borstweefsel onder mijn huid vandaan zou snijden. Shit, had ik daar ook over na moeten denken? Wat als ik een fout antwoord zou geven en in een nachtmerrie zou belanden of, erger nog misschien, helemaal niet zou dromen? Voor ik mezelf kon verliezen in het krampachtig nadenken over een passende droom zakte ik weg in een diepe slaap.
    Een verpleegkundige loopt naar mijn bed en helpt me overeind. Hij geeft me groene thee en rijstwafels met jam. Beschuit met blauwe muisjes, dat hier standaard op het menu staat, heeft mijn moeder op het nippertje weten te voorkomen. ‘Volgens mij is dat niet helemaal de bedoeling,’ zei ze beleefd tegen de receptionist.
    Orde impliceert beperking, stelt Mary Douglas. Van alle mogelijkheden die er waren, is slechts een gelimiteerde set gekozen. Wanorde beschrijft ze daarentegen als onbeperkt; in de patroonloze toestand is het potentieel voor patroonvorming oneindig. Wanorde bederft de bestaande patronen, maar is tegelijkertijd de belichaming van potentie, van het mogelijke. Nog onder invloed van de narcose eet ik de ene na de andere rijstwafel. Nog nooit heb ik zoiets lekkers gegeten.
    Als ik zelfstandig naar de wc ben geweest halen mijn vader, moeder en zus me op. Met z’n vieren stapten we die ochtend in de auto naar het operatiecentrum. Het voelde een beetje zoals we vroeger elke zomervakantie met een De Waard-tent in de aanhangwagen naar Frankrijk reden. Toen misselijk van de haarspeldbochten, nu van de zenuwen. Mijn ouders en zus hebben me altijd gesteund in het herontdekken van wie ik ben. Met mijn moeder kocht ik kleren waarin ik me meer mezelf voelde en met mijn vader voerde ik gesprekken over de sociale constructie van gender. ‘Maar stel je eens voor, je woont op een onbewoond eiland, zou je dan ook geen borsten willen?’ Een gedachte-experiment dat de meesten van ons weleens voor de voeten is geworpen. Een antwoord had ik niet. Maakte het uit? Ik woon niet op een onbewoond eiland, maar in een samenleving gevormd door sociale normen en regels. Ik probeerde te ontdekken hoe ik me in díé situatie over mijn borsten voelde. Vragen over het sociaal constructivistische aspect van gender komen altijd op de schouders te liggen van mensen die buiten de boot vallen. Is niet iedereen onderhevig aan sociale normen?
    “Each and every body,” schrijft Susan Stryker, professor Gender Studies aan de Universiteit van Arizona, wordt gesubjectiveerd door gender; een systeem gevuld met gewoontes en tradities dat bepaalde vormen van het persoon-zijn – man, vrouw – doet voorkomen als een natuurlijke onvermijdelijkheid. Personen die zo’n vorm aannemen stel ik me voor als gecamoufleerd; hun contouren vallen weg tegen de maatschappelijke achtergrond. Wie niet opvalt, hoeft niks uitteleggen. Wie onzichtbaar is, krijgt geen hypothetische vragen over onbewoonde eilanden. Welke dingen zou jij doen of laten wanneer je met je billen bloot melk uit een kokosnoot drinkt, en er niemand naar je kijkt?
    In het operatiecentrum is geen overnachtingsmogelijkheid. De eerste nacht slapen we in het nabijgelegen Ibis Budget Hotel (kosten bij de operatie inbegrepen). In de rij voor het inchecken steun ik op de schouder van mijn zus. Het bloed dat uit mijn borstkas lekt wordt opgevangen in een soort bidons die in de zakken van mijn joggingbroek zitten. De rode vloeistof druppelt langzaam door de in mijn lichaam aangebrachte buisjes naar beneden. Het moet voor de zakenlui in de lobby een vreemd gezicht zijn. Het personeel is het inmiddels gewend. De roomservice brengt geen verpleegkundigen dus stuur ik af en toe ter controle een foto van het doorgesijpelde bloed naar de chirurg. Als reactie stuurt ze steevast een duimpje en een hele rits aan kleurrijke fruit-emoticons. Alles is in orde.
    De volgende ochtend moet ik voor nazorg terug naar het operatiecentrum. Op mijn rug lig ik in de felverlichte behandelkamer. ‘Wat hebben ze jouw tepels mooi gelaten!’ De verpleegkundige wikkelt voorzichtig het verband van mijn borstkas en haalt de slangetjes uit mijn lichaam. Haar compliment maakt me trots. Na een ingewikkeld keuzeproces koos ik ervoor mijn tepels zo min mogelijk te laten veranderen. Voor het bijsnijden van de tepelhof wordt een diameter van ongeveer twee en een halve centimeter aangehouden, de gemiddelde maat van een tepel van een cisgender man, zo vertelde de chirurg tijdens ons eerste consult. Het was het begin van een kortstondige obsessie. Gewapend met een meetlint stond ik elke dag voor de spiegel mijn tepels op te meten. In de familiewhatsappgroep vroeg ik mijn ouders en zus hetzelfde te doen en ook mijn vrienden moesten eraan geloven. De diameters van mijn eigen tepelhoven varieerden tussen de drie en vijf centimeter. De rechter iets groter dan de linker. Wilde ik dit kleine verschil met het gemiddelde weg laten halen zodat mijn tepels zoveel mogelijk op die van een gemiddelde cisgender man zouden lijken? Wilde ik überhaupt op een cisgender man lijken? De keuze voor deze operatie werd voor mij eenvoudiger toen ik ophield mezelf te zien als man of vrouw en ik mijn borsten niet meer gebruikte als graadmeter voor mannelijkheid en vrouwelijkheid. In plaats daarvan ging ik op zoek naar mijn eigen lichaamsvorm. Hoe bepaal je dan de gemiddelde grootte van een tepel?

In de badkamerspiegel bekijk ik mijn borstkas. Het litteken staat best stoer, als een piraat zonder ooglapje. Ter nagedachtenis aan mijn linkertepel brand ik ieder jaar een kaarsje. Ik hef mijn kin een beetje omhoog. Mijn spiegelbeeld kijkt me aan. Niemand bestaat in een vacuüm. Er is altijd een omgeving, een klankkast. We botsen ertegenaan en worden weerkaatst als echo’s. De lucht tussen ons in trilt, daarin ligt ons bestaan.
Mijn warme adem blaas ik tegen de spiegel.

Welmoed Jonas (1994) schrijft essays, columns, korte verhalen en af en toe een gedicht. Diens schrijfwerk werd eerder gepubliceerd op Notulen van het Onzichtbare, Hard//Hoofd en in Het Parool. In 2020 nam het deel aan Savannah Bay's 'Queering the City of Literature'. Wonen en werken doet hen in Utrecht, waar hen belandde voor een bachelor Culturele Antropologie. Naast schrijven gaat hen graag op pad met diens analoge camera (Instagram: @wjanalog), is hen klimmer en fervent lezer, en luistert hen graag naar cd's in de auto. 

Meer van deze auteur