&2023

Essay / 14.10.23

Kijken naar Brodkey

Een queer rorschachtest

Lars Meijer

Is het wel toevallig? Op YouTube heeft iemand een interview van twintig minuten geüpload van een Nederlands programma dat langsgaat bij Harold Brodkey. Na het doorspitten van talloze websites, digitale archieven, het kopen van krantenknipsels waarin hij genoemd wordt, voelt het haast opzettelijk. Mijn uithoudingsvermogen wordt getest. Hoeveel tijd ben ik nog bereid om in mijn vermoedens te steken? Het is niet de eerste keer dat ik mezelf verlies in het online natrekken van schrijvers of oude vrienden. Toch klik ik het filmpje direct aan.
  ‘Harold Brodkey is vierenzestig, heeft aids, en schreef daarover een paar spraakmakende essays,’ vertelt de presentator, waarna het beeld verschuift naar een shot van zijn appartement. Een zachte stem is amper hoorbaar, en daar zit hij, in zijn werkkamer. Het zijn de eerste bewegende beelden die ik van hem zie. Ik glimlach door zijn kamer: achter hem staan twee foto’s, van hemzelf. Hij is kalm, nonchalant, lacht om zijn eigen observaties. Ik verhoog het volume van mijn laptop. De anekdotes schieten alle kanten uit; de montage houdt hem bijeen.
  ‘In this country the homosexual community has been rather silent about my book,’ zegt hij onderuitgezakt in een stoel. ‘They haven’t attacked it, but they haven’t praised it. The one or two homosexual writers who reviewed it… those reviews were noticeably dishonest.’ Ik schiet overeind, zet de video op pauze, spoel een vijftiental seconde terug en luister opnieuw naar wat Brodkey zegt. Oneerlijk, zegt hij, waarover? Spreekt hij zijn irritatie uit, alsof hij hoopte dat deze groep tussen de regels door zou lezen? De interviewer reageert niet. Brodkey lijkt zijn desinteresse op te merken en begint over iets anders. Het onderwerp wordt niet meer besproken.
  Dankzij het interview kan ik kijken naar Brodkey. Ik kan zijn lichaamstaal lezen, de manier waarop hij zijn handen beweegt, het accent op woorden legt, reageert op vragen. In de beelden zoek ik naar een bevestiging van een vermoeden, een queer gevoel, waarmee ik een al aantal jaar rondloop. Een idee over de onuitgesproken seksualiteit van Brodkey. Een verhaal dat hij niet vertelt. Op sommige dagen ben ik er zeker van, op andere dagen lijkt het me onbelangrijk en vergezocht. De opmerkingen uit het interview brengen me niet verder. Brodkey glipt behendig uit mijn handen. Ik ga terug naar de bron, de plek waar mijn vermoeden ontstond.

De eerste keer dat ik The State of Grace las, het openingsverhaal uit zijn debuutbundel, was ik getroffen door het gereserveerde karakter van de hoofdpersoon. Hij voelt zich vervreemd van zijn omgeving, maar wordt op school niet gepest. De naamloze jongen zit vooral met zijn neus in de boeken. Ik vond hem vroeg oud, iemand die lijkt te begrijpen wat sociaal wel en niet wenselijk is. Wanneer hij zijn familie bezoekt, snapt hij de rollen die iedereen speelt. Hij doorziet hun verwachting, zoals wanneer hij zijn rapportcijfers voorleest en hij ze hoort fantaseren over zijn toekomst. Hoe kan hij met deze kennis ooit zorgeloos zijn, denkt hij bij zichzelf. Hij wil zijn toekomst nog helemaal niet uittekenen.
  De meisjes op school zien hem zitten, de oudere jongens zijn niet in hem geïnteresseerd. Bij een tweede lezing viel me op dat hij gerust vrienden had kunnen maken, maar dat een gevoel hem tegenhield. Wanneer hij uit school loopt, is hij meer bezig met de kleurafwijking van de bakstenenhuizen in zijn straat, de omvang van de johannesbroodboom, het onderhoud van zijn huis. Hij loopt eromheen, klimt via de brandtrap zijn appartement in ‘because they were steep, ugly and had garbage cans on the landings and wash hanging out.’ De vlucht naar boven is een inkijkje in het leven van andere mensen, hij waant zich in datgene wat uit het zicht blijft.
  Het viel me pas bij de derde lezing op hoe centraal spijt staat tegen het einde van het verhaal. De naamloze jongen wordt door zijn moeder verplicht om op zijn buurjongen Edward te passen. Hij wordt door zijn ouders omschreven als ‘a queer duck, and effeminate’. Wellicht kan de naamloze jongen hem mannelijker maken. Terwijl hij zijn instructies ontvangt, kan hij Edward al zien staan, verstopt achter een deur. Edward is nog niet bezig met het gewicht van andermans blik, observeert hij. Samen spelen ze de hele avond rollenspellen. Ze zijn detective, soldaat, oermens: ze bevragen mannelijkheid, wisselen constant van rol, terwijl Edward kinderlijk aan de benen van de naamloze jongen trekt. Hij geniet ervan, maar de naamloze jongen kan zich niet volledig geven. Er staat een gevoel in de weg, eenzelfde gevoel dat hij heeft wanneer hij met familie of klasgenoten is. Hij wil iedereen wel liefhebben, maar eerst moeten ze van hem leren houden, voor wie hij is. Dat gebeurt volgens hem niet: ‘No, why should I give them everything when they give me nothing?’ Wanneer hij terugkijkt op de periode met Edward heeft hij spijt. Hij had het anders moeten doen. ‘How many hurts and shyness’s and times of walking up the backstairs had made me that way?’
  De spijt die de naamloze jongen naar zijn buurjongen toe voelt deed me wankelen. Er leek liefde in het spel, meer dan alleen een broederlijke geborgenheid. Het verhaal ging ook over de band met zijn familie, zijn rol van buitenstaander in een gemeenschap. Het constante observeren van de naamloze jongen mondde in niets uit, maar zorgde juist ervoor dat keuzes voor hem werden gemaakt. De spanning zat hem voor mij in zijn terughoudendheid, want waarom zei hij niets? Op diverse manieren belichaamt de naamloze jongen de observatie die hij aan het begin van het verhaal maakt: ‘There is a certain shade of red brick – a dark, almost melodious red, somber and riddled with blue – that is my childhood in St. Louis.’ Een rood dat ook blauw is, maar zich enkel prijsgeeft wanneer er goed naar wordt gekeken.

In de weerzin tegen eenduidigheid leek de naamloze jongen op Brodkey. In de interviews, artikelen en necrologieën komt zijn seksualiteit op geen enkel moment ter sprake. Wellicht zit ik ernaast. Alleen in dat ene televisie-interview zie ik een glinstering, van dat ik niet alles verzonnen heb, van dat Brodkey meerdere gezichten heeft. Een man die zich drukt maakt over de ontvangst van zijn geflopte autobiografische roman The Runaway Soul in de homoseksuele gemeenschap. Een man die zich niet gezien voelt door de groep waar hij wellicht deel van had willen zijn, maar ook geen aanstalten maakt om er onderdeel van te worden. Een man die zich geen label laat opplakken. Of ben ik aan het projecteren? Heb ik een naïeve veronderstelling dat iedereen ernaar verlangt om open kaart te spelen? Een deel wil worden van een gemeenschap? Nadat ik The State of Grace las en herlas, lees ik zijn boeken als een queer rorschachtest.

Nadat ik uit de kast kwam, had ik een obsessieve neiging iedereen hiervan op de hoogte te brengen. Mijn seksualiteit werd een publieke aangelegenheid. Ik wilde iedereen voor mijn feestje uitnodigen en wanneer ik vrienden sprak, wachtte ik ongeduldig tot ik over mijn seksualiteit kon praten. Alles stond in het teken van mijn zelfacceptatie. Het voelde bevrijdend om na jaren twijfelen eindelijk dit deel van mezelf volledig te omarmen. Het gaf rust om bepaalde gebeurtenissen uit het verleden van context te voorzien, begrijpen dat ze dienden als voorbodes voor die realisatie. Ik begreep dat ik constant een afslag had gemist, terwijl de borden die duidelijk hadden aangegeven. Als ik beter had gekeken, had ik tussen de regels door mijn ervaringen kunnen zien voor wat ze betekenden, de manier waarop ze mijn seksualiteit vormgaven.
  Ik vond steun bij schrijvers waarvan ik hoopte ooit met eenzelfde onaangepastheid door het leven te kunnen gaan. Zij hadden met hun seksualiteit geworsteld, maar hadden zich losgemaakt en hadden een leven waarvan ik slechts een vermoeden had. De auteurs die met gemak iemand wisten te versieren of cruisen in vervallen pakhuizen. Zij waren aan niemand duiding verschuldigd. Wat ze deden – en met wie – sprak genoeg voor zichzelf. Zo moet het, dacht ik, en ik sprong naar buiten, maar de wereld waarover ik had gelezen bestond niet meer. De beschutting in het park was weggehaald, langs het water waren terrassen gebouwd. ‘I was completely out of step with my time,’ zegt Brodkey in het televisie-interview. Mijn ideeën over queerness bleken ook out of step. Ik moest mijn eigen gebruiksaanwijzing schrijven. Zien welke methodes uit oude boeken nog steeds relevant waren, en welke verleden tijd bleken. Niemand gebruikt nog vaseline als glijmiddel.
  Terwijl ik boeken las waar de seksualiteit van de schrijver voor me werd uitgespeld, cirkelde ik steeds terug naar het werk van Brodkey. In zijn werk bleef hij ambigu, wat irritatie wekte, maar anderzijds ook bewondering opriep. Tot op het laatst behield hij zijn autonomie. In This Wild Darkness, zijn aidsdagboek, is het motto een citaat van hemzelf: ‘I don’t see the point of privacy. I don’t see the point of leaving testimony in the hands or mouths of others.’ Het lijkt een opdracht aan zichzelf om alles te vertellen, om te voorkomen dat onwaarheden zijn postume leven beïnvloeden. Is dat eerlijk, vroeg ik me af, zijn we wel in staat om over onszelf de eerlijkste versie te vertellen? Bestond een leven niet ook door de aanwezigheid van anderen? De dagboekverhalen over zijn seksuele verleden leken haaks te staan op wat hij zijn arts vertelde. Ik begon me af te vragen of hij met zijn motto niet eerder bedoelde dat er meer versies van de waarheid bestonden, waardoor er ruimte bleef voor twijfel en aanvulling.
  Dit idee resoneerde. Herinneringen, liet Brodkey zien, waren maar een verhaal, waarin naar believen correcties en revisies mochten worden doorgevoerd. Zelfs na mijn coming-out, kon ik blijven terugrijden en een nieuwe poging doen om de borden, die ik aanvankelijk had gemist, te lezen. Wellicht keerde ik daardoor steeds terug naar The State of Grace: in de meerstemmigheid van de herinneringen bleek een gebruiksaanwijzing te zitten. De naamloze jongen reed ook constant terug. Het voelde queer, omdat hij ergens hoopte dat, door terug te keren, de uitkomst anders werd.

Ik doe mijn best om in zijn andere werk hetzelfde gevoel te vinden, maar Brodkey lijkt op zijn hoede te zijn geworden. Het lijkt op overcompenseren, zoals met een verhaal waarin hij veertig pagina’s lang beschrijft hoe hij oraal een vrouw bevredigt. Het lukt me niet om zijn ambiguïteit uit The State of Grace terug te vinden. In de aanwijzingen die hij heeft achtergelaten, doe ik een poging een patroon te herkennen: in de straat waar de naamloze jongen in woont hebben huizen dezelfde kleur, behalve zijn huis en het huis van de buurjongen; de naamloze jongen gaat altijd achterom zijn huis binnen, nooit via de voordeur. Hij maakt zichzelf onzichtbaar, terwijl Edward de voordeur kan gebruiken. Zou ik ook geobsedeerd zijn met dit verhaal en zijn schrijver, als ik tijdens het Googelen een concreet antwoord op mijn vermoeden had gekregen? Als ik zijn naam had gelezen in een stuk over homoseksuele auteurs die demonstreerden tegen aids?
  Misschien is The State of Grace zijn eerlijkste verhaal. In het stuk wemelt het van wat José Esteban Muñoz in zijn boek Cruising Utopia als wenslandschappen omschrijft. Binnen een wenslandschap wordt een vastomlijnd verleden verworpen, om op die manier te zoeken naar vergankelijk bewijs: de overblijfselen en herinterpretaties van queer acts van onszelf, en van anderen. Volgens Muñoz is vergankelijk bewijs bijvoorbeeld ‘the cool look of a street cruise, the lingering handshake between acquaintances, or the mannish strut of a confident woman.’ In het verhaal kijkt de naamloze jongen vanuit het heden terug op zijn kindertijd, waardoor hij een tweede kans creëert. Hij maakt een nieuwe herinnering, ziet een kans om het verhaal anders vorm te geven. De afwijzing van een vastomlijnd verleden, die een mogelijkheid of potentie biedt voor een andere wereld, is essentieel queer, aldus Muñoz. Vergankelijk bewijs is niet iets wat naar historische bronnen kan worden herleid, maar een houding biedt om het (meerstemmig) verleden te herzien.
  Als ik The State of Grace lees, valt er vergankelijk bewijs in te vinden. Zoals wanneer Edward in lachen uitbarst terwijl ze soldaten nadoen, vergelijkt Brodkey dit niet met een explosieve metafoor, wat in zijn rol als soldaat niet had misstaan, maar schrijft hij: ‘Edward’s (…) excited breathy laughter would pour out like so many leaves spilling into spring, so many lilacs thrusting into bloom.’ Hij vergelijkt het gelach van Edward met seringen die tot bloei komen, een lente die doorbreekt. Het zijn zachte beelden, ze luiden een begin aan. Een mogelijkheid. Ik denk aan dat menig gay slang uit de jaren vijftig gebruikmaakte van bloemen: Pansy, buttercup, daisy, tulip. Een traditie die begint met Oscar Wilde en zijn groene anjer. Een bloem die, wanneer opgespeld, niet opvalt, maar betekenis draagt voor de ingewijden. De beelden van Brodkey hoeven niets te betekenen, het kunnen toevalligheden zijn, maar er schuilt ook autonomie in ambiguïteit; in zwijgen wanneer iemand praat. Waarom wil ik dan zo graag dat hij zich uitspreekt?

Het waren de jongens in mijn omgeving die met mijn seksualiteit bezig waren. Ik vond het moeilijk om met ze erover mee te praten. Ik had het idee dat, net zoals gespierde armen, de behoefte om over meisjes te praten zou komen wanneer ik ouder werd. Ik was verliefd op een klasgenote, maar als ik hierover tegen de jongens eerlijk zou zijn, zouden zij het direct doorvertellen. Ik sprak met mijn beste vriend erover. Hij was ook verliefd op een klasgenote, maar hij had gehoord dat zij hem niet zag zitten. Hierdoor had hij meer ervaring dan ik, kon hij mij beter voorzien van advies. Tijdens de pauze bespraken we geregeld op welke manier we onze liefde kenbaar moesten maken. Een brief was ouderwets, een sms afstandelijk. De conclusie was dat het persoonlijk moest gebeuren, maar we ondernamen nooit iets. Het was leuker om te fantaseren. Wanneer ik bleef logeren, hadden we het er vaak over. Wat een relatie inhield, wanneer we seks konden hebben. Ik vroeg aan hem wat hij zich erbij voorstelde. Hij vertelde dat hij porno had gezien op de computer van zijn vader.
‘Dat wil ik,’ zei hij, ‘wat ze in die video doen.’
Ik begreep niet waarom mijn adem zo zwaar werd, waarom een gewicht op mijn buik leek te vallen. Met moeite vroeg ik wat hij nog meer wilde doen.
‘Het is lastig om met iemand te fantaseren,’ zei hij.
Ik kon hem niet zien liggen op zijn luchtbed. Zijn kamer was op zolder, het rook constant naar sportdeodorant.
‘Zal ik het doen,’ zei ik. ‘Wil je dat ik iets verzin.’
Eerst voelde ik zijn lichaam naar mij toe bewegen, daarna pas hoorde ik zijn stem. Zacht, alsof de jongens op school ons konden horen, zei hij: ‘Dat is goed.’
Wanneer ik aan het vertellen was, kon ik horen hoe hij zich aftrok. Ik werd opgewonden van de piepende ademhaling door zijn neus. Hij kwam klaar over zijn buik en vroeg of ik handdoeken wilde pakken. Ik trok me af in de badkamer, terwijl ik nadacht over hoe hij op mij aan het wachten was in het donker.
  Onze ervaring verdween in mijn bureaula, gevuld met pennenstrepen en vraagtekens in de marge. Het bewijs dat er meerdere versies van mijn herinnering waren, verschillende benaderingen van de gebeurtenis bestonden. Ik dacht erover om contact met hem te zoeken. Misschien had ik zijn nummer nog wel, kon ik hem wel op LinkedIn of Instagram vinden. Was hij in dezelfde dingen als ik geïnteresseerd geraakt? Ik wilde weten of hij weleens aan ons samenzijn terugdacht. Of ik de enige was met herinneringen, die constant terugging naar die avond, vanuit een ander oogpunt. Wanneer ik het stuk uit mijn la pak, begrijp ik waaraan ik was begonnen. Ik wilde de herinnering definitief gaan maken. Nogmaals herschrijven, had ik bovenaan de pagina geschreven, het verhaal is niet eerlijk genoeg. Ik zet er een kruis doorheen en gooi het weg. Ik laat de avond zijn voor wat hij is: een wenslandschap. Wat voor zin heeft het, om een strik om mijn seksualiteit te doen? Afgerond, niemand meer die ernaar kijkt. Ergens klinkt het zachte gelach van Brodkey. Hij begrijpt me wel.

Wellicht, vraag ik me af, blijf ik terugkeren naar Brodkey, vanwege deze (seksuele) ambiguïteit. De zoektocht in zijn werk om herinneringen niet af te ronden, maar ze te blijven opbreken om ingangen te ontdekken. Tegelijkertijd is hij ervan op de hoogte dat, wanneer hij teruggaat, dit niet gelijk staat aan het ongedaan maken van beslissingen. De een-na-laatste alinea van The State of Grace biedt geen genade, zoals de titel suggereert, maar benadrukt spijt: ‘All I know is that Edward needed my love and I wouldn’t give it to him. I was only thirteen. There isn’t much you can blame a boy of thirteen for, but I’m not thinking of the blame. I’m thinking of all the years that might have been – if I’d only known then what I know now. The waste, the God-awful waste.’
  De liefde en aandacht, alles wat had kunnen zijn en ontvangen, is weg. Hij kiest ervoor om in het wenslandschap zichzelf niet te vergeven. In het verhaal komt hij tot de conclusie dat het kind dat hij was, de verlangens die hij had, niet ongemerkt waren. Hij had geen reden om zich te verstoppen. Hij heeft de jaren door zijn vingers laten glippen. Voor een moment zag hij een kans met Edward, kon hij een andere afslag nemen. Terwijl ik het verhaal nogmaals lees, hoor ik mezelf, denk ik aan mijn oude vriend en vraag me af of hij mij ook heeft weggestopt op een zolder of in een bureaula. Ik had een kans gehad en ik koos voor afstand. In mijn stilte word ik Edward, hangend aan het been van mijn beste vriend tegen wie ik niet eerlijk durfde te zijn. Ik wil teruggaan naar het verleden en ‘run shouting back through the corridors of time, screaming at the boy I was, searching him out, and pounding on his chest.’ Zou ik het aan hem vragen?

Lars Meijer (1994) is schrijver en redactiecoördinator van DIG (De Internet Gids). Hij studeerde journalistiek en behaalde in 2020 zijn bachelor aan Creative Writing ArtEZ met het werk Alleen mijn vrienden zijn bang, een taalonderzoek naar seksualiteit, geweld en verlangen. In 2024 verscheen het werk in vertaling als I’ll Hide Your Name Inside a Word bij het Amerikaanse Furious Beautiful Zines. Essays, verhalen en vertalingen kunnen worden gelezen op o.a. Hard//Hoofd, Samplekanon, De Reactor, Jacobin Nederland en in Extra Extra en nY. Zijn teksten in reactie op het werk van kunstenaars Paul Thek en Derek Jarman werden door de Britse uitgeverij Pilot Press in hun respectievelijke bloemlezingen opgenomen. Lars maakt onderdeel uit van Arnhems schrijverscollectief Wildgewelf.

Meer van deze auteur